ATEX: de nieuwe NTA 7914: een wegwijzer of een doolhof?

Leestijd: 4 minuten

De nieuwe NTA 7914 (ontwerp december 2021) beschrijft de methodiek voor het gebruik van tijdelijke arbeidsmiddelen in zones met explosiegevaar. Op zich is de methodiek, zoals deze wordt beschreven in de NTA prima, maar het geeft in de praktijk onwerkbare situaties. De voorbeelden van ontstekingsanalyses zijn verre van realistisch. Tot 1 april 2022 kan een ieder commentaar geven op het ontwerp van de NTA 7914, zie NEN normontwerp.

Indeling van apparaten met een ontstekingsbron volgens de NTA 7914

Apparaten met een ontstekingsbron worden volgens de NTA 7914 ingedeeld in subgroep A, B of C:

  • Subgroep A: het apparaat bevat geen inherente potentiële ontstekingsbron (valt dus ook niet onder ATEX 114).
  • Subgroep B: het apparaat bevat wel potentiële ontstekingsbronnen, maar vormt bij gebruik onder normale bedrijfsomstandigheden geen effectieve ontstekingsbron.
  • Subgroep C: het apparaat bevat of vormt een effectieve ontstekingsbron onder normale bedrijfsomstandigheden.

De NTA 7914 in grote lijnen

In grote lijnen komt de NTA 7914 op het volgende neer:

  1. Gebruik ATEX apparatuur, als dat niet mogelijk is:
  2. Pas de zone tijdelijk aan of hef de zone tijdelijk op, als dat niet mogelijk is:
  3. Alleen niet-ATEX apparatuur, dat is beoordeeld, van subgroep A of B is enkel toegestaan in zone 2 of 22.

Dus:

  • Niet-ATEX apparatuur van subgroep B is niet toegestaan in een gevarenzone 0, 1, 20 en 21.
  • Niet-ATEX apparatuur van subgroep C is niet toegestaan in een gevarenzone.
  • Ofwel: in een zone 2 of 22 zijn alleen apparaten toegestaan die bij normaal bedrijf geen ontstekingsbron hebben (“dat zijn er niet zoveel”).

De meest opvallende zaken uit de NTA 7914

Een aantal in het oog springende zaken van de NTA 7914 zijn:

  1. De meest belangrijke: in een gevarenzone is het niet toegestaan om apparaten te gebruiken die tijdens normaal bedrijf een ontstekingsbron kunnen vormen. Dus als er geen Ex-versie van een apparaat beschikbaar is en het apparaat heeft wel ontstekingsbronnen tijdens normaal bedrijf, dan kunnen deze werkzaamheden niet in een gevarenzone worden uitgevoerd. Dit betekent dat de zone tijdelijk moet worden opgeheven.
  2. In de NPR 7910-1/-2 stond in het verleden een helder overzicht omtrent het uitvoeren van werkzaamheden in gevarenzones. Hierbij werd in gaszones beschreven dat werkzaamheden alleen dienen te worden gestart als is gewaarborgd dat er geen explosieve atmosfeer aanwezig is of kan ontstaan of dat er geen ontstekingsbronnen aanwezig zijn of kunnen worden gevormd. Vervolgens werd voorgeschreven dat afhankelijk van de zone de gasconcentratie dient te worden gecontroleerd. In de nieuwe NPR 7910-1/-2 zijn deze voorschriften geschrapt en wordt verwezen naar de NTA 7914, maar in de NTA 7914 vinden we deze tekst rondom gasdetectie niet terug. Wel wordt gasdetectie als een mogelijke maatregel genoemd, maar gasdetectie in gevarenzones is juist heel erg belangrijk. Uiteraard mag gasdetectie niet het enigste maatregel zijn en proberen we eerst uitsluitend explosieveilige apparatuur te gebruiken in gevarenzones. In de dagelijkse praktijk is het gebruik van gasdetectie vrijwel een standaard maatregel geworden en dit dienen we uiteraard ook voort te zetten.
  3. In de NTA 7914 worden voorbeelden gegeven van apparatuur van subgroep A. Deze zijn niet correct, een slagmoersleutel en in sommige situaties ook een handtakel (met rem) bevatten wel degelijk inherente potentiële ontstekingsbronnen.
  4. Voorbeelden van subgroep B volgens de NTA 7914 zijn een gehoorapparaat en een insulinepomp. Deze apparaten zijn geen arbeidsmiddelen voor tijdelijk gebruik, immers een medewerker kan deze langdurig en frequent bij zich dragen in een gevarenzone. Je kunt je ook afvragen of dit wel een arbeidsmiddel is. Na beoordeling kunnen deze apparaten wel gebruikt worden, maar het zijn geen tijdelijke arbeidsmiddelen.
  5. Een ander voorbeeld van subgroep B volgens de NTA 7914 is een betonhardheidsmeter. Een dergelijke meter meet met een metalen kogel de hardheid van beton volgens een standaard meetprincipe met een impactenergie variërend van 0.735 J, 2.2 J en 30 J, afhankelijk van de testen situatie. De NTA 7914 geeft aan dat je moet uitzoeken of dit volgens de norm  ISO 80079-36 toelaatbaar is. De limieten voor de impactenergie voor zone 2 zijn: IIC = 20J, IIB=40 J, IIA=80 J, zone 22 = 80 J. Dus alleen de tester met een impactenergie van 30 J is niet te gebruiken in een zone 2 gasgroep IIC.
  6. Voorbeeld van apparatuur van subgroep C is een theodoliet. Dit meettoestel wordt gebruikt als hoekmeetinstrument. In de NTA 7914 wordt het zowel bij subgroep B als ook bij subgroep C behandelt, bevat het nu wel of geen ontstekingsbronnen bij normaal gebruik? In de ontstekingsanalyse van de NTA 7914 worden dan de termen lage spanning en lage stroom gebruikt, zonder te refereren wat nu precies laag is. Hierbij wordt voorbij gegaan aan het principe van intrinsieke veiligheid, want daarin staat beschreven wat voldoende laag is, om geen ontstekingsbron te zijn.
  7. Een soldeerbout wordt uitgewerkt in de voorbeelden van een ontstekingsanalyse. Hoewel in de NTA 7914 wordt aangegeven dat je voor een dergelijke beoordeling technische specificaties moet hebben, wordt hier getracht een ontstekingsanalyse te maken van een soldeerbout. Er zijn veel verschillende soorten soldeerbouten, met een schakelaar of met een vast snoer. Een schakelaar geeft een vonk, maar die wordt niet beschreven in de NTA 7914. Een snoer wel, maar de stekker moet dan buiten de gevarenzone in een wandcontactdoos geplaatst worden. Hoe lang zal het snoer zijn aan een soldeerbout, 1 meter of 2 meter? In de meeste gevallen zitten we dan niet buiten de zone. Kortom: onwerkbaar.

    soldeerbout

Als reactie op het ontwerp van de NTA 7914 zien we in de praktijk nu allerlei acties om de zone-afmetingen en de zone-klassen aan te passen naar veel kleinere gebieden of zelfs het weghalen van de gevarenzone. Dit is in veel gevallen mogelijk, omdat zoneringen gebaseerd zijn op de NPR 7910-1/-2 en bij het toepassen van een andere praktijkrichtlijn, zoals de IEC 60079-10-1/-2, ontstaan vaak kleinere zones. Hierdoor wordt de situatie wellicht onveiliger, immers de zoneringsmodellen zijn erg theoretisch van aard en een iets grotere zone-afmeting geeft een veiliger situatie.

 

Er zijn nog veel meer opmerkingen te plaatsen bij de nieuwe NTA 7914. Maar we zijn van mening dat de NTA 7914 ons eerder in een doolhof brengt dan dat het een wegwijzer is, om op een veilige en praktische manier werkzaamheden kunnen uitvoeren in een gevarenzone.

 

In de NTA 7914 wordt aangegeven dat je voldoende kennis moet hebben rondom de beginselen van explosieveiligheid (IECEx Ex 001), uitvoeren van een ontstekingsanalyse (IAB: Ex 016) en het beoordelen van gevarenzone-indelingen (IECEx Ex 002).

De verwachting is dat rond de zomer 2022 de definitieve NTA 7914 zal verschijnen.

ATEX wijziging Arbobesluit 31-01-2020

Leestijd: 3 minuten

ATEX wijzing Arbobesluit definitief

Middels een wijzigingsbesluit (23-01-2020) is het Arbobesluit artikel 3.5e gewijzigd.

Onderdeel 3.5e van het Arbobesluit wordt nu:

voor zover het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, geen aanvullende eisen stelt, worden in de gevarenzones apparaten en beveiligingssystemen gebruikt overeenkomstig de apparatencategorie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 en toegepast volgens de navolgende principes:

  • 1°.gevarenzone 0 of 20: categorie 1-apparatuur;
  • 2°.gevarenzone 1 of 21: categorie 1- of categorie 2-apparatuur;
  • 3°.gevarenzone 2 of 22: categorie 1-, categorie 2- of categorie 3-apparatuur;

Toelichting wijziging

In onderdeel e van artikel 3.5e Arbobesluit is bepaald dat:

  • apparaten en beveiligingsmiddelen moeten worden gebruikt overeenkomstig de apparatencategorieën,
  • zoals bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel 2016,
  • en moeten worden toegepast volgens de beschreven principes,
  • waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende gevarenzones.

Maatregelen schriftelijk vastleggen in een explosieveiligheidsdocument

Als uit de beoordeling van de gevaren in verband met explosieve atmosferen (bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, Arbobesluit) blijkt dat maatregelen nodig zijn, dat moeten die worden genomen. Dit dient schriftelijk te worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument.

Term ‘Andere eisen’ wekt verkeerde indruk

Uit de aanhef van artikel 3.5e Arbobesluit (oud) volgde dat het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, Arbobesluit «andere eisen» kon stellen.

De formulering «andere eisen» kon ten onrechte de indruk wekken dat het mogelijk was:

  • ter zake minder eisen te stellen;
  • een minder strenge gevarenzone te kiezen;
  • apparatuur of beveiligingsmiddelen te gebruiken uit een minder strenge categorie dan vermeld in de punten 1°, 2° of 3° van onderdeel e;
  • af te zien van het treffen van de maatregelen die nodig zijn volgens de beoordeling van de gevaren met betrekking tot explosieve atmosferen, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid.

Met «andere eisen» werd en wordt echter bedoeld dat er «aanvullende, extra eisen» gesteld kunnen worden.

Uitgangpunt bij de eisen met betrekking tot explosieve atmosferen is het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer.

Zonering en passende maatregelen

Indien het risico op het ontstaan en de aanwezigheid van een explosieve atmosfeer niet volledig weggenomen kan worden, dan wordt een gebied ingedeeld in een gevarenzone en moeten passende maatregelen getroffen worden.

In de gevarenzone moeten apparaten en beveiligingssystemen worden gebruikt die passend zijn bij de ingedeelde gevarenzone. Voor de gevaarlijkste zone mag uitsluitend apparatuur worden gebruikt die een zeer hoog explosiegevaarbeschermingsniveau biedt. Voor de minder gevaarlijke zones mag alleen apparatuur worden gebruikt van een zeer hoog of hoog explosiegevaarbeschermingsniveau en voor de minst gevaarlijke zone apparatuur van een zeer hoog, hoog of normaal explosiegevaarbeschermingsniveau.

Indien er voor een apparatencategorie géén apparatuur of beveiligingsmiddelen beschikbaar zijn (of niet op een redelijke termijn beschikbaar gaan komen), mag afgeweken worden van de principes, bedoeld in artikel 3.5e, onderdeel e, Arbobesluit. Er moeten dan wel aanvullende maatregelen genomen worden om te zorgen dat het explosiegevaar zoveel mogelijk wordt teruggedrongen. Indien de gebruikers weten dat de apparatuur of beveiligingsmiddelen meer dan één keer gebruikt zullen worden, moeten zij er voor zorgen dat die apparatuur of beveiligingsmiddelen beschikbaar komen. De gebruikers moeten dus bij de fabrikant vragen naar de ontwikkeling van deze apparatuur of beveiligingsmiddelen.

Bij de beoordeling van de gevaren met betrekking tot explosieve atmosferen, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, Arbobesluit, moeten verder alle mogelijke incidentele of tijdelijke werkzaamheden die in een gevarenzone nodig (kunnen) zijn, worden meegenomen.

Ook bij deze werkzaamheden is het uitgangspunt dat de gevarenbron zo veel mogelijk wordt weggenomen of gereduceerd.

Een reductie kan leiden tot een minder gevaarlijke gevarenzone en hierdoor tot het treffen van minder zware maatregelen.

De werkzaamheden kunnen echter ook nieuwe of aanvullende risico’s introduceren. Door onder andere het gebruik of de mogelijke aanwezigheid van andere gevaarlijke stoffen of het gebruik van een ander proces, kan juist sprake zijn van een vergroting van het gevaar met als gevolg een zwaardere gevarenzone en het bewerkstelligen van een hoger explosiegevaarbeschermingsniveau. Dat is precies wat wordt beoogd met Bijlage II, onderdeel B, van richtlijn 1999/92/EG.

De bepalingen van paragraaf 2a. «Explosieve atmosferen» van het Arbobesluit zijn op veel sectoren van toepassing, bijvoorbeeld in de chemische sector. Daarbij is bij de chemische sector sprake van uitzonderlijke situaties waarin bij bedrijven gevaarlijke werkzaamheden in een gevarenzone als bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, Arbobesluit plaats moeten vinden. Daarbij kan het stilleggen van de installaties voor aanvullende risico’s voor de werknemers, zelfstandigen en omgeving zorgen.

In het kader van het explosieveiligheidsdocument, bedoeld in artikel 3.5c, Arbobesluit, zal de werkgever dan een uitgebreide risicobeoordeling moeten maken. Hierbij moeten alle risico’s voor de werknemers, zelfstandigen en derden bekeken zijn. Tevens moeten er aanvullende maatregelen worden getroffen om de omvang van de gevarenzone weg te nemen of zo veel als mogelijk te reduceren. Verder moet de werkgever er voor zorgen dat met deze aanvullende maatregelen geen nieuwe risico’s voor de werknemers en zelfstandigen worden geïntroduceerd.

Indien aan die voorwaarden is voldaan, is het toegestaan dat in de chemische sector de werkzaamheden toch in een gevarenzone plaatsvinden zonder het uit bedrijf halen van de installatie.

De eis dat de apparatuur en beveiligingsmiddelen conform de apparatencategorieën, bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel 2016, worden gebruikt, geldt echter altijd onverkort.

Download het volledige besluit (wachtwoord IAB Member nodig).

Geen explosieve atmosfeer bij dieselolie

Leestijd: < 1 minuutWaar of niet waar? (ATEX)

Stelling: Onder normale omgevingscondities is een ATEX zonering bij dieselolie nooit noodzakelijk.

Dit is niet waar.

In de praktijk nemen we meestal aan dat dieselolie een vlampunt heeft van 55 °C. Stel dat dieselolie is opgeslagen in een tank, die rechtstreeks door de zon wordt beschenen. Volgens de NPR 7910-1 moeten we bij tanks die rechtstreeks door de zon worden beschenen, rekening houden met een maximale temperatuur van 60 °C. Wanneer het gaat om opslaghoeveelheden van meer dan 5000 kg, geeft de NPR 7910-1 aan dat een zonering zinvol is. Om bij opslagtanks van dieselolie ATEX zonering te voorkomen, kun je deze het best beschermen tegen directe instraling van de zon. Dan mag je namelijk rekenen met een maximale omgevingstemperatuur van 40 °C.

IAB

proef met hoog vlampunt vloeistof

Explosieve atmosfeer door nevels

Een ander punt wat vaak wordt vergeten is dat nevels van vloeistoffen met een hoog vlampunt ook een explosieve atmosfeer kunnen geven. Tijdens de cursus ATEX basis Ex 001 laten we aan de hand van een eenvoudig proefje zien, hoe met een vloeistof met een hoog vlampunt eenvoudig een steekvlam kan worden verkregen. Dit ondanks dat de omgevingstemperatuur veel lager is dan het vlampunt.