Onderdelen met een snelheid kleiner dan 1 m/s kunnen geen ontstekingsbron zijn.

Leestijd: 2 minuten

Waar of niet waar? (ATEX)

Stelling: Onderdelen met een snelheid kleiner dan 1 m/s kunnen geen ontstekingsbron zijn.

Dit is niet waar.

Ondanks de lage snelheid is het mogelijk dat bij hoge contactdrukken oppervlakken erg heet kunnen worden en als zodanig een ontstekingsbron kunnen zijn. In paragraaf 6.4.3 van de ISO 80079-36 (de norm voor explosieveilige mechanische apparatuur) is beschreven dat ontstekingsbronnen door wrijving bij een relatieve contactsnelheid van maximaal 1 m/s niet in staat zijn om een explosieve atmosfeer te ontsteken. Er zijn echter een aantal uitzonderingen, o.a. stoffen en gassen die zeer gevoelig zijn voor ontsteking, zoals zwavel, waterstof, ethyleen, acetyleen, zwavelkoolstof, koolmonoxide, ethyleenoxide kunnen wel ontsteken bij een hoge contactdruk.

Bij snelheden groter dan 1 m/s moeten we bij de ontstekingsanalyse altijd rekening houden met ontstekingsbronnen. Met de ontstekingsanalyse leggen we vast welke maatregelen moeten worden genomen in de betreffende situatie. Dit is weer afhankelijk van de categorie of het Equipment Protection Level van de apparatuur.

Een askoppeling met een afschermkap zou een ontstekingsbron kunnen zijn, wanneer de askoppeling de afschermkap gaat raken. De contactsnelheid tussen askoppeling en stilstaande kap is groter dan 1 m/s. Afhankelijk van de zonering en de constructie van de afschermkap kan het nodig zijn om speciale maatregelen te nemen, denk aan een afschermkap van niet vonkend materiaal. Maar let op: de te nemen maatregelen moeten altijd worden beoordeeld in relatie tot het vereiste Equipment Protection Level of categorie. In de ontstekingsanalyse dient dit te worden beoordeeld en afgewogen.

motor met askoppeling en pomp

motor met askoppeling en pomp

Geen explosieve atmosfeer bij dieselolie

Leestijd: < 1 minuut

Waar of niet waar? (ATEX)

Stelling: Onder normale omgevingscondities is een ATEX zonering bij dieselolie nooit noodzakelijk.

Dit is niet waar.

In de praktijk nemen we meestal aan dat dieselolie een vlampunt heeft van 55 °C. Stel dat dieselolie is opgeslagen in een tank, die rechtstreeks door de zon wordt beschenen. Volgens de NPR 7910-1 moeten we bij tanks die rechtstreeks door de zon worden beschenen, rekening houden met een maximale temperatuur van 60 °C. Wanneer het gaat om opslaghoeveelheden van meer dan 5000 kg, geeft de NPR 7910-1 aan dat een zonering zinvol is. Om bij opslagtanks van dieselolie ATEX zonering te voorkomen, kun je deze het best beschermen tegen directe instraling van de zon. Dan mag je namelijk rekenen met een maximale omgevingstemperatuur van 40 °C.

IAB

proef met hoog vlampunt vloeistof

Explosieve atmosfeer door nevels

Een ander punt wat vaak wordt vergeten is dat nevels van vloeistoffen met een hoog vlampunt ook een explosieve atmosfeer kunnen geven. Tijdens de cursus ATEX basis Ex 001 laten we aan de hand van een eenvoudig proefje zien, hoe met een vloeistof met een hoog vlampunt eenvoudig een steekvlam kan worden verkregen. Dit ondanks dat de omgevingstemperatuur veel lager is dan het vlampunt.

ATEX zones in de buitenlucht

Leestijd: 2 minuten

Waar of niet waar? (ATEX)

Stelling: Op een buitenterrein ontstaat bij het overtappen van brandbare vloeistoffen, zoals ethanol, geen ATEX zone, want het is in de buitenlucht.

Dit is niet waar. Bij brandbare vloeistoffen moeten we altijd eerst kijken naar het vlampunt van de vloeistof. Ethanol heeft als vlampunt 12 graden Celsius. Voor buitenlucht omstandigheden houden we rekening met een omgevingstemperatuur van max. 40 graden Celsius. Dus ver boven het vlampunt. Stel we zouden een zeer kleine hoeveelheid ethanol overtappen, dan is een zonering misschien niet zinvol. Dit dient bepaald te worden op basis van het risico. Maar wees voorzichtig met het hanteren van de zogenaamde minimale hoeveelheden (zie NPR 7910-1).

De minimale hoeveelheid voor ethanol in de buitenlucht is 500 kg. Dit zou kunnen betekenen dat we bij het overtappen van 200 liter ethanol in de buitenlucht een zonering niet zinvol zou zijn. Echter we moeten hier kijken naar het risico. Het risico van het overtappen van 200 liter ethanol achten we zodanig, dat een ATEX zonering wel zinvol is.  Van belang bij de minimale hoeveelheden zijn het vlampunt en het kookpunt van de vloeistof. Ethanol heeft een vlampunt van circa 12 graden Celsius en een kookpunt van circa 78 graden Celsius. Eigenschappen van brandvloeistoffen vindt u doorgaans op de MSDS (material safety data sheet) of in het chemiekaarten boek of in de IEC 60079-20-1.

Daarna gaan we kijken wat de aard is van de gevarenbron (= bron van mogelijke lekkage). Tapwerkzaamheden worden doorgaans beschouwd als een primaire bron (zie hoofdstuk 7 NPR 7910-1). Standaard is een primaire bron een zone 1. Vervolgens moeten we kijken in tabel 7 van de NPR 7910-1. Hiermee gaan we bepalen wat de invloed van de ventilatie is op de gevarenbron. In tabel 7 worden de buitenluchtomstandigheden beschreven. Daar staat dat de zoneklasse overeenkomstig die van de gevarenbron is. Dus een zone 1.

Uitgangspunt bij buitenluchtomstandigheden is dat er voldoende vrije luchtstroming aanwezig is.

Meer leren over ATEX zoneringen, volg dan onze 4-daagse ATEX training, zie >>>>